Interview

Jongejan ter Hoeve interviewt de componist

Een Naardense Marcuspassie? Dat klinkt vaag bekend, en toch ook weer niet. Vertel.
Bij Naarden denkt iedereen aan de Matthäuspassion van Bach, die daar jaarlijks wordt uitgevoerd in de grote kerk. Toen ik eind 2011 het plan opvatte het passieverhaal op muziek te zetten had ik een naam nodig en een tekst. Ik wilde het oudste evangelie gebruiken, dat van Marcus, en koos voor de Naardense Bijbelvertaling van Pieter Oussoren. De naam ‘Naardense Marcuspassie’ drong zich dus als vanzelf op, vooral ook omdat ik zelf in Naarden woon. En het is natuurlijk fijn als zo’n naam alvast een beetje bekend klinkt.

Had je dus Bach in je achterhoofd bij het componeren? Leg je de lat dan niet onmogelijk hoog?
Als je muzikaal iets met het lijdensverhaal wilt doen kun je hoe dan ook niet om Bach heen. Maar ik vond dat ook helemaal niet erg. Het is mooi je in zo’n rijke traditie te kunnen voegen. Ik nam van Bach in ieder geval de basisstructuur van de passie over. Het verhaal wordt verteld door een evangelist, die in recitatieven zingt. De hoofdpersonen, Jezus, Petrus, Pilatus en de anderen zijn ook reciterende solozangers. Waar er groepen mensen in het verhaal optreden – bijvoorbeeld de leerlingen, de hogepriesters en het volk – worden hun woorden gezongen door het koor.
De muzikale vertelling van het evangelie wordt omlijst en doorsneden door meditaties van het koor. Bij Bach zijn dat de koralen en de koren, die geschreven zijn op teksten uit zijn eigen tijd. Ik gebruik daarvoor enkele liederen uit het ‘oude’ liedboek voor de kerken en de bundel Tussentijds. Dan heb je bij Bach nog de aria’s, die veel mensen als de muzikale hoogtepunten beschouwen. Daar heb ik me, behoudens een enkele uitzondering, niet aan gewaagd.

Peter van Dorp
En muzikaal? Je hebt de muziek geschreven in 2012, dus die is zeker modern?
Helemaal niet. Ik maak gebruik van een volledig traditioneel idioom. Je hoort er Bach in terug en af en toe ook zijn romantische bewonderaar Mendelssohn. Het was er mij met dit stuk niet om te doen muzikaal onbetreden paden te gaan. Wat ik wel wilde, was de tekst zo expressief mogelijk over het voetlicht brengen. Vooral daarin, in de tekstexpressie, heb ik mijn creativiteit uitgeleefd.

Gebruik je een orkest?
Ik zou niet weten waar ik het vandaan zou moeten halen! Nee, de bezetting is heel sober en intiem. Alle begeleidingen worden gespeeld op een piano. Verder zijn er twee solisten, de evangelist en Jezus, en een koor van acht zangers, dat vierstemmig zingt. Het is een soort ‘pocketpassie’, zou je kunnen zeggen.

Je zei dat je de Naardense vertaling volgt, dus niet de nieuwe Bijbelvertaling. Waarom?
Ik ben begonnen met de nieuwe vertaling, maar vond het erg moeilijk die om te zetten in prettig lopende recitatieven. Dat heeft iets te maken met het ritme van de tekst, dat hort en stoot. Geen probleem als je gewoon leest, maar zodra je gaat voordragen, en zeker als je gaat zingen, krijg je behoefte aan een gelijkmatiger afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. De Naardense Bijbelvertaling is geschreven met het oog op mondelinge voordracht. De tekst is daardoor ook eminent zingbaar.

De partij van de evangelist wordt gezongen door een vrouw. Waarom heb je daarvoor gekozen?
Daar waren een paar redenen voor. Allereerst een heel praktische: er zijn in het hele passieverhaal nauwelijks vrouwelijke personages, terwijl er natuurlijk veel goede zangeressen zijn. Ik had eerder gewerkt met Janine Huson, die deze rol vertolkt, en wist dat zij het prachtig zou kunnen.
Maar gaandeweg bemerkte ik dat deze keuze het verhaal ook een extra dimensie geeft. De evangelist, de verteller van het Marcusevangelie, is onvoorwaardelijk op de hand van Jezus en fel op al degenen die hem belagen. Als je zijn woorden door een vrouw laat zingen, die optreedt naast de mannelijke Jezuszanger, dan creëer je een muzikaal liefdespaar, waarvan de vrouw machteloos moet toezien hoe haar geliefde ter dood wordt gebracht. Dramatisch is dat heel bevredigend. Het maakt het denk ik nog gemakkelijker voor de luisteraar zich te laten meevoeren door het verhaal.

Ben je eigenlijk werkzaam in de muziek?
Nee, ik werk in de automatisering. Maar ik zing al sinds mijn achtste in koren en ben ook al vrij vroeg begonnen met componeren en arrangeren. De afgelopen tien jaar probeer ik daar wat serieuzer tijd voor in te ruimen. Ik heb ook een tijdlang les gehad in muziektheorie en compositie van Wim Dirriwachter. Maar het is moeilijk dat vol te houden naast een drukke baan.

Schrijf je alleen geestelijke muziek?
Nee hoor, maar wel altijd vocale. Ik schrijf muziek die ik graag zelf zou willen zingen en ik zing dan ook zelf mee in het koor.

Hoe eindigt je passie?
Bach eindigt de Matthäus wenend bij het graf. Ik moet bekennen dat ik dat altijd een beetje onbevredigend heb gevonden, hoe schitterend de muziek ook is. Het verhaal eindigt immers niet daar, maar met de opstanding. Natuurlijk vieren we die pas twee dagen later, maar is dat een reden er volledig over te zwijgen op Goede Vrijdag?
Ik besluit daarom met het ‘gebed om licht’ van Jaap Zijlstra (‘U komt mij, lieve God, zo nederig nabij’), waarin de wens wordt geuit dat ‘de zon die Pasen heet’ zal dagen in ons hart. Tegelijk geef ik de solisten die de partijen van de evangelist en van Jezus hebben gezongen een fragment van de gregoriaanse introïtus van Paasmorgen (‘Domine, probasti me’): Heer, gij hebt mij doorgrond en gij kent mij. Gij kent mijn zitten en mijn opstaan. Uitbundig is het natuurlijk niet, maar het zet een venstertje open naar de verwachte toekomst.